Nucleair Dancer

foto mimik

‘Nucleair Dancer’ werd gepubliceerd in het tijdschrift Mimik; ‘the white issue’.

Hoor je de wind?
Mijn adem zette je nekharen overeind
Zoals de wind het gras in de weilanden beroerde
We lagen op onze ruggen
Onze wervels nog recht
We hadden ruggengraat
De wereld lag aan onze voeten
Wij waren aanstormend
Trots
Wanneer is onze wind gaan liggen?
Ons kon niets gebeuren, dachten we.
Weet je nog dat we dat dachten?
Dat we echt geloofden dat we onsterfelijk waren?
We keken naar de wolken
Ze zagen er nog uit als onschuldige schapen
Ze hadden nog niet de vorm van giftige paddenstoelen,
Van mismaakte baby’s, van tumoren die roekeloos groeien
Van verderf en dood
Gras kietelde onze oorschelpen
Schelpen, er waren toen nog schelpen
Weet je dat nog?
We vonden ze op het strand
Hand in hand
Het zand was geel, wit, zacht bruin
De dode vissen kwamen later
Af en toe een walvis, dat wel
Maar het echte gevaar was nog niet aangespoeld
Je danste op het strand
Ik moest foto’s maken
Ik nam de foto’s, ik nam jou
Later in de slaapkamer liet je me pas echt zien hoe lenig je was
Onder dikke dekens lagen we
Buiten raasde de eerste herfststorm
We voelden ons beschermd
Beschermd tegen wat?
Weet jij nog wat de gevaren waren, toen?
Weet jij nog waar we bang voor waren?
Februari had nog koude dagen.
Sneeuw
Het witte melkschuim op onze dampende koffie
Een waterige winterzon
De zon kon ons aan water doen denken, weet je dat nog?
Een verwarmd terras uit de wind
In onze lijven was het nog altijd zomer
Toen
Weet je nog?
Klimaatverandering was een woord op televisie
De opwarming van de aarde was het vooruitzicht van eeuwige zomers
Bloot mocht nog
Er vielen nog geen gaten in de ozon, in geheugens en nieuwgeboren hartkleppen
Je haren waaiden in de wind
Op je kruin een weerborstel
Weerbarstig
Noemde jij mijn wenkbrauwen
En je constateerde dat ik daar ook al grijs werd
Als de lucht
Grijs, als het weer
Dat het weer zou omslaan, wisten we toen nog niet
Dat met de regen de bommen en onze haren zouden vallen
Dat de ijskappen en onze dromen zouden smelten
Maart roert haar staart, zeiden we
En: laat je koffie niet koud worden
We haatten fietsen in onze regenjassen
De jassen plakten aan onze bezwete lijven, zoals later onze huiden zouden versmelten met onze synthetische kleding
Je gleed uit op de gladde tegels van de natgeregende veranda
Je scheurde je enkelbanden
En mijn brief
In honderd snippers
Je wilde me nooit meer zien.
We konden nog zien toen
Weet je nog?
We konden nog zeggen dat we niet wilden zien
Kijken was een keuze
We zijn elkaar uit het oog verloren
Die lente
Toen de bommen vielen, was het ieder voor zich

De foto, hij is er nog
In het laatste restje licht herkende ik jou
Dansend op het strand
Hoor je de wind?
De wind is nooit gaan liggen
Misschien is de wind de enige die blijft