De Witte Hond

foto mimik

‘De witte hond’ werd gepubliceerd in het tijdschrift Mimik; ‘the white issue’.

Wij hadden thuis een winkel in fop- en feestartikelen. Op de begane grond hadden we de zaak, boven was ons woonhuis.

Met ‘wij’ bedoel ik: mijn vader en ik. Mijn moeder was een beroemde actrice geloofde ik toen nog. Ze stuurde kaarten van over de hele wereld. In werkelijkheid was ze nachtclubdanseres, verslaafd aan heroïne en was het mijn tante, een stewardess, die de kaarten in opdracht van mijn vader, schreef en verstuurde. Maar dat wist ik toen nog niet.

Het ging goed met de zaak. Mijn vader had twee vaste personeelsleden in dienst. Onze garage stond vol met bestellingen voor klanten overal uit de provincie.

Elk jaar hield mijn vader het DecemberFopFeest. Een groot kerstdiner voor zijn personeel en hun familie. Het begrip familie werd door mijn vader in dit geval ruim gezien (als compensatie voor ons kleine gezin denk ik); broers, zussen, neven, nichten, aangetrouwden en hun kinderen, maar ook een leuke buurman of vriend van zijn personeel of van hemzelf werd uitgenodigd voor ons jaarlijkse feest.

Traditiegetrouw kwam iedereen verkleed en traditiegetrouw werd het een feest vol ontploffende sigaren, plastic vliegen in bierglazen, nephanden tussen deuren en bloedende neuzen. Bovendien werd het nieuwe assortiment voor de winkel uitgeprobeerd en gekeurd.

Neem van mij aan, flauw of saai werd het nooit, want mijn vader wist steeds weer met iets anders te verrassen.

Zo was er voor de kinderen het jaarlijkse mysterie guest spel. Het kind dat raadde wie de geheimzinnige gast was, mocht een schoenendoos vullen met fopartikelen en mee naar huis nemen. Ieder van ons wilde graag winnen, want we waren op een leeftijd waarop nepdrollen, scheetkussens en bloedampullen het goed deden op school. Aanvankelijk was de geheimzinnige gast makkelijk te raden: de collega die zich ziek had gemeld, de vaste leverancier, de bakker uit ons dorp. Maar naarmate de jaren verstreken en het spel  steeds populairder begon te worden en ook de volwassenen zich ermee gingen bemoeien, werd het raden van de gast ons moeilijker gemaakt: een plaatselijke zangeres die een zomerhitje had gescoord, de directeur van de koffiefabriek en zelfs een bekende soapacteur die inmiddels met pensioen was en die mijn vader nog kende van de basisschool.

We mochten om de beurt vragen stellen, die door de mysterie guest alleen met ‘ja’ of ‘nee’ mocht worden beantwoord en vlak voor het dessert werd opgediend, kwam er een aanwijzing op tafel; meestal in de vorm van een voorwerp.

In het jaar dat ik 11 was geworden, en ik me al wat oud begon te voelen voor het spel, was onze gast een witte hond.

Mijn vader had flink uitgepakt, net als het weer. Buiten lag een dik pak sneeuw, binnen lag de tafel bezaaid met cadeaus.

Een gigantische kerstboom vulde onze woonkamer. Het had in jaren niet meer zo gesneeuwd.

Mijn vader zou die avond het goede nieuws vertellen dat er een tweede zaak zou worden geopend in de stad. De twee personeelsleden zouden een flinke bonus ontvangen en ook voor elk uitgenodigd ‘familielid’ lag er een mooi pakje met gevulde envelop te wachten.

De mysterie guest werd elk jaar op een speciale manier onthaald. De witte hond stond achter de schuifdeur op het balkon in het licht van de buitenlantaarn. Het was een mooi gezicht. Die witte hond tussen de dwarrelende sneeuwvlokken. Mijn vader schoof de deur voor hem open. Met wat sneeuw kwam de hond naar binnen.

Ik kan me niet meer goed herinneren welke vragen er werden gesteld die avond. Ik weet alleen nog dat de hond elke vraag met een kort ‘nee’ beantwoordde.

Ik kan me geen enkele ‘ja’ herinneren van dat beest.

De avond verliep als alle andere DecemberFopFeestavonden. Er werden grappen gemaakt, er werd gelachen, er werd geraden naar de witte hond. Maar niemand had nog een idee wie hij of zij was.

Toen brak het moment aan voor de aanwijzing. De lege borden van het hoofdgerecht werden afgeruimd, de tafel met een natte lap gepoetst en iedereen wachtte in spanning af wat er binnen zou worden gedragen.

Mijn vader verdween naar de gang. Het duurde even, toen zwaaide de woonkamerdeur open. Mijn vader reed een kar binnen met daarop een lege doodskist. Het werd stil aan tafel.

De doodskist werd aan het hoofd van de tafel gereden. Mijn vader stond er met een triomfantelijke blik in zijn ogen naast.

Er werd door iemand een grapje gemaakt, maar echt hard gelachen werd er niet. De lege doodskist was te aanwezig. Te echt. Te uitnodigend.

De gesprekken vielen dood in de kist.

Later op de avond, het was al bijna nacht, was de kist gevuld met lege bierflesjes, vieze borden en glazen en was iedereen de nare aanblik van de lege doodskist vergeten. Mijn vader had zijn speech gehouden, de dikke enveloppen hadden het leven in de gesprekken terug gebracht en de hoofden van de gasten vulden zich met mogelijkheden wat ze met het extra geld van mijn vader zouden kunnen doen.

De witte hond zat nog steeds aan tafel. Een paar fanatiekelingen bestookten hem nog altijd met vragen.

‘Nee’, blafte de hond. Althans zo herinner ik het mij.

Veel gasten hadden het opgegeven of waren te dronken om nog moeite te doen. Ze zongen, lalden en leefden hun eeuwige leven.

Veel kinderen waren al mee naar huis genomen onder dwang van hun ouders, want: ‘Mama, papa, nee, we weten nog niet wie de witte hond is, we kunnen niet gaan’.

We schrokken op van een harde bons.

We stonden op om te kijken naar waar het geluid vandaan was gekomen, half en half in de veronderstelling dat mijn vader nog een grap had voorbereid.

We verwachten wat we zagen. Mijn vader lag onderaan de trap. Hij schudde en beefde.

Iemand applaudisseerde, iemand riep: ‘Bravo’, iemand deed alsof hij uitgleed en viel naast mijn vader op de grond en schudde nog harder en dramatischer met zijn lichaam dan hij.

Er ging tijd voorbij. Hoeveel tijd weet ik niet. Zoveel tijd als een grap duurt voor het niet meer leuk is waarschijnlijk. En dat was in dit gezelschap een flinke poos.

Iemand moet als eerste hebben gemerkt dat het schokken van mijn vader verstilde, de kleur op zijn gezicht verdween, zijn ledematen verstijfden en zijn ogen glazig werden.

Iemand belde 112. Iemand haalde natte doeken. Iemand controleerde de hartslag van mijn vader.

Ergens was ik. Ik weet niet waar ik stond. In mijn herinnering hang ik als een camera boven in de gang. Ik kijk naar het lichaam van mijn vader. Ik zie de paniek van de gasten, ik zie hun pogingen om hem te reanimeren, en na lange tijd zie ik het ambulancepersoneel door de voordeur naar binnen stappen. Witte fijne sneeuwvlokken op hun haren. ‘Buiten is het hondenweer. Eerder konden ze er niet zijn’, hoor ik iemand zeggen tegen iemand anders.

Niemand zag mij daar boven in de gang hangen.

Pas als de gasten zijn verdwenen, de sirenes zijn verstomd en het stil is in de gang, daal ik terug naar beneden.

Ik open de deur naar de woonkamer.

De grafkist vol resten feestvreugde staat nog altijd aan het hoofd van de tafel.

De schuifpui staat open. Er dwarrelt sneeuw naar binnen.

In het licht van de buitenlantaarn ziet het balkon er vlekkeloos uit. Geen spoor van de witte hond.